17-18 september: Tuut….Tuut…..Tuut


Het belooft een mooi weekend te worden en na twee weken hard werken is het goed om even stoom af te blazen. Vanwege ’t werk zijn we laat vertrokken en bij de sluis moeten we ook nog bijna een uur wachten.

Intussen liggen er aardig wat jachten aan het¬†remmingwerk en er moet ook nog een groot binnenvaartschip bij. In de voorste sluis licht een binnenvaartschip met twee blauwe kegels, gescheiden van de rest van de sluis. Als het tweede binnenvaartschip in de achterste sluis ligt mogen de zeiljachten naar de brug. Omdat de brug niet meteen open gaat, ligt iedereen een beetje te draaien. In de verte ver achter ons hoor ik ..Tuut.. ,ik kijk achterom en zie in de verte een motorjacht de hoek om komen zetten, maar sla er geen acht op. Even later hoor ik weer …Tuut… Het motorjacht, van het snelle type zeg maar, is nu een stuk dichterbij en probeert om als eerste in de sluis te komen. Weer hoor ik ..Tuut.., nu vlak achter mij. Nu zag ik dit aankomen en had de Yazz al dwars in de vaart gelegd. Of ik ff opzij wil gaan want hij wil de sluis in.

Een slechter moment had hij niet kunnen uitzoeken. Ik ontplof zo’n beetje door deze asociale actie en schreeuw met ernstige overtuiging en zeer luide stem dat hij achteraan moet aansluiten. “Ik mag onder de brug door…” schreeuwt een veel te dikke Duitser vanonder zijn Bimini-top terug. “ACHTERUIT” schreeuw ik, met ogen vol vuur en een overtuiging waar ik zelf van zou schrikken en wijs met gestrekte (linker)arm en een vinger naar achteren.

De Duitser is echter echt van plan om door te varen…iedereen ging tenslotte als de rode zee voor Jezus opzij. “A C H T E R U I T” dwing ik af. “Fuhrer” roept de Duister me toe. Nu beginnen anderen, ook Duitsers, mij bij te vallen. De dikke Duitser in zijn motorjacht begrijpt nu dat hij geen schijn van kans maakt om voor te dringen.

Als we in de sluis liggen wordt de dikke Duister door de sluiswachter achter het motorschip gedirigeerd als laatste.

Ik heb alle stress van twee weken er eens goed uit kunnen schreeuwen. “Ik wist niet dat je zo hard kon schreeuwen..” zegt Jeannet later. Een big smile verschijnt op mijn¬†gezicht.

Als we later het zeil hebben gehesen, zien we de dikke Duitser uit de sluis varen. Als hij ons spot komt hij met veel gas, op veilige afstand, achter ons aan en, nog steeds op veilige afstand, houdt hij naast ons in.

Jeannet is er niet helemaal gerust op. Ik kan niet wachten daarentegen. Waarschijnlijk heeft zijn vrouw, nou ja iemand met lang haar en misschien was het wel een kerel, gezegd dat ie door moest varen, want als snel vaart hij verder.

We zeilen heerlijk en snel naar Enkhuizen en als we aankomen in de Compagnieshaven ligt deze al redelijk vol. Onderweg hebben we de Mastenbar gebeld om een tafel te reserveren. Dus ’s avonds eten wij heerlijk gebakken scholfilet.

Daarna vallen wij aan boord al snel in een diepe slaap; het is 22:00 uur ….

De volgende ochtend waait het een ietsje harder dan de dag ervoor en Lemmer ligt niet bezeild. We zullen dus moeten opkruizen vandaag. We trekken een rif en maken eerst een slag richting Stavoren en dan een hele lange slag richting Urk. Daarna de laatste klap naar Lemmer en intussen is de wind ook aardig ingezakt en trekken we het rif er weer uit.

Deel dit artikel: